Attentiestenen in de gemeente Leusden

De doelstelling van de Historische Kring Leusden is het historisch besef betreffende de Gemeente Leusden te bevorderen. Er zijn al diverse markante historische gebouwen in de gemeente Leusden verdwenen en waarvan de exacte historie in de beleving van veel inwoners al grotendeels vervaagd is. De Historische Kring wil enerzijds iets van die beleving terughalen en anderzijds de nieuwe inwoners en bezoekers van de gemeente Leusden attenderen op een aantal van deze markante historische gebouwen die in de gemeente Leusden hebben gestaan. Daarom is het idee ontstaan om zogenoemde “Attentiestenen” te leggen, die de mensen erop attent maken dat op /of dicht in de buurt een markant gebouw heeft gestaan, dat een prominente plaats innam in het dorp. Historisch gezien zijn dit dus belangrijke plaatsen.

leggen attentiesteen

De bruin/zwarte chique stenen met een afmeting van 50x50 cm. liggen verzonken in de bestrating en nodigen uit om even bij stil te staan. De stenen zijn voorzien van de naam van het pand, met de jaartallen, een mooie foto en enkele regels tekst met de belangrijkste historische informatie. Via een op de stenen vermelde website kan uitgebreidere informatie worden verkregen over de betreffende panden. De vormgeving van de zogenoemde attentiestenen is in handen van Woudstra Architecten te Schijndel.

Totaal zijn er 11 stenen, verdeeld over de gemeente Leusden, gelegd (vier in Achterveld, vier in Leusden-Centrum en drie in Leusden-Zuid). Het benodigde budget is verkregen door het beschikbaar stellen van het bedrag dat onderdeel was van het aan José Huurdeman, bestuurslid van de Historische Kring Leusden, in 2015 uitgereikte Annie De Beaufortspeld. In overleg met de St. De Boom heeft zij voor het project “Attentiestenen” gekozen. Daarnaast heeft het Fonds Samenlevingsinitiatieven het bedrag verdubbeld en heeft de Historische Kring Leusden het benodigde restant toegevoegd. De gemeentewerken van de Gemeente Leusden heeft haar medewerking aangeboden om de stenen gratis te leggen op de aangewezen plaatsen in de gemeente.

Op 17 september 2015 is de “laatste steen” door drs. A. Vermeulen, burgemeester van Leusden, gelegd bij het Indonesische restaurant Kraton, De Rosbeijer, aan de Hamersveldseweg 57 in Leusden-Centrum.

Achterveld

In Achterveld liggen alle vier de attentiestenen aan de Hessenweg. Ze zijn te vinden bij huisnummers 204, 206 (2 stuks) en 309.

Coöperatie 1901-2013

In 1901 ontstond op initiatief van twee vooruitstrevende boeren een coöperatie waarvan meteen veertig boeren lid werden. cooperatie Boeren konden er sparen, hypotheken afnemen en handelen in veevoer, kunstmest en andere landbouwartikelen. Een schuurtje bij De Roskam diende als opslagruimte. De Coöperatieve Boerenleenbank en Handelsvereniging Achterveld en Omstreken maakte een bloeitijd door. In 1906 werd een naastgelegen woning gekocht en de magazijnruimte werd vergroot. Er verrezen twee graansilo’s, de eerste in 1934 en de tweede in 1955. In de jaren zeventig werd de coöperatieve vereniging omgezet in twee zelfstandige coöperaties: de Coöperatie Achterveld en de Raiffeisenbank Achterveld. In 1982 fuseerde de Coöperatie Achterveld met Coöperatie De Vallei in Barneveld. Korte tijd daarna kwamen de gebouwen leeg te staan; het verval begon. In 2013 werden ze gesloopt.

cooperatie

Weeghuisje - Foto: José Huurdeman

cooperatie

De zaal van Zandbrink - Foto: José Huurdeman

De foto op de attentiesteen geeft de situatie weer tussen 1934-1955. De Coöperatieve Boerenleenbank en Handelsvereniging Achterveld en Omstreken bestond uit meerdere gebouwen. Dit witte gebouw waar de attentiesteen ligt, werd in 1906 door de Coöperatie gekocht. Dit historisch pand werd in de negentiende eeuw al door Achtervelders gebruikt voor samenkomsten.

De Coöperatieve Boerenleenbank en Handelsvereniging “Achterveld” en Omstreken

In 1917 trouwde zaakvoerder Hermanus van Zandbrink met Anna Schothorst. Het jonge paar ging wonen in het rechterdeel van het coöperatiegebouw wat nu De Kapsalon is. Aan de achterzijde bevond zich een kantoor en een bestuurskamer. In het verenigingszaaltje aan de voorkant (linkerdeel) werden tevens vergaderingen gehouden, toneelvoorstellingen opgevoerd, bruiloften gegeven en werd er koffie gedronken na begrafenissen. ‘De zaal van Zandbrink’ werd de ruimte genoemd. In 1959 nam Ons Gebouw deze functie over omdat De Coöperatie de ruimte zelf nodig had.

cooperatie

De Coöperatie in de vijftiger jaren
Foto: archief Historische Kring Leusden

Weeghuisje

Achter dit pand intussen, breidde De Coöperatie zich flink uit. Zo verrezen de graansilo’s en werden de magazijnen flink vergroot. Rond 1950 werd een weegbrug met weeghuisje gebouwd. Dat weeghuisje staat er nog. Dat boeren bij De Coöperatie behalve graan, kunstmest, brandstof et cetera konden krijgen en daar ook terecht konden om te sparen en hypotheken af te sluiten, was een bijzondere constructie. Het kwam in deze streek vaker voor want in Barneveld en Woudenberg bestond ook een dergelijke gecombineerde vereniging, maar het was in het land ongebruikelijk. De Coöperatie was een combinatie van een boerenleenbank en veevoedercoöperatie. De leden, allen boer, waren zelf aansprakelijk en namen dus best een groot risico. Om dat enigszins te beperken kozen ze hun eigen bestuur en een Raad van Toezicht die het bestuur controleerde. In een jaarlijkse Algemene Vergadering werd verantwoording afgelegd.

cooperatie

De Coöperatie in de vijftiger jaren
Foto: archief Historische Kring Leusden

Fusie

Pas in de jaren zeventig zijn de beide afdelingen gesplitst en zelfstandig verder gegaan. De bank verhuisde naar de Jan van Arkelweg waar nu tandartspraktijk De Drie Linden is gevestigd. De bank maakte ook weer een ontwikkeling door, werd van Raiffeisenbank een Rabobank en fuseerde in 1995 met de Rabobank in Barneveld; de locatie in Achterveld werd gesloten. In 2005 is deze bank nog verder gefuseerd tot Rabobank Barneveld-Voorthuizen. Vanuit de veevoercoöperatie werden voorlichtingsbijeenkomsten gegeven. Mede hierdoor kon de boerenstand zich verder ontwikkelen waardoor ook de coöperatie floreerde. Dat leidde in 1982 tot een fusie met de coöperatie De Vallei in Barneveld. Deze coöperatie fuseerde in 1993 tot Rijnvallei en bestaat sinds 2012 als AgruniekRijnvallei.

Bronnen:
Joep van Burgsteden: Achterveld 1674-1940 Ontstaan en groei (2006)
Joep van Burgsteden, Gerrit van Bekkum, Wim van Nimwegen: Achterveld Toen en nu, Het dorp in woord en beeld. (2015)
Rabobankhistorie Barneveld-Voorthuizen (uitgave Rabobank)
Internet: www.agruniekrijnvallei.nl/bedrijfsprofiel/geschiedenis

Oude school 1764-2007

Dit pand dateert van 1764 en werd, gelegen aan de toen zo geheten Aernhemsen Wegh, in 1864 als boerderij verkocht. oude school Het afvalwater werd geloosd op de Haarbeek voor het huis. Aan de weg stond de enige houten pomp van het dorp. Het achterhuis had een koe- en paardenstal en nog een woning met een schuur en een varkenshok. Ook was er tot 1850 een bakkerij in gevestigd. Voordat in de gemeente een echte school werd gebouwd, werd eeuwenlang af en toe door iemand die kon schrijven en rekenen in de wintermaanden ‘school gehouden’ in een schuur of bakhuis. Het gerecht betaalde een geringe huur, terwijl de ouders degene die les gaf betaalden. Zo werd in dit huis in de achttiende en negentiende eeuw lesgegeven in lezen, schrijven en rekenen. Er werd zelfs illegaal mee doorgegaan nadat in 1841 de officiële school in Stoutenburg was opgericht. In 2007 werd deze ‘oude school’ afgebroken.

oude school

Hessenweg 307 en 309, locatie van ‘Oude school’
Foto: José Huurdeman

Twee vrijstaande woningen staan op de locatie waar tot 2007 een gebouw stond, opgetrokken uit baksteen en grijs gepleisterd. In oppervlakte royaal, maar niet in hoogte. Boven de ramen begon meteen het rieten dak. Rechts van de attentiesteen ligt de oprit naar huisnummer 309, daar lag ook de dam (oprit en ingang) naar de oude boerderij.


Een boerderij waarin les werd gegeven

Het gebouw is nooit een officiële school geweest, maar was een boerderij waarin ‘school gehouden werd’. Het was tot halverwege de negentiende eeuw de enige mogelijkheid om in het dorp onderwijs te genieten, omdat er nog geen school bestond. Veel kinderen gingen rond 1800 dan ook naar buurgemeenten op school waar het beter geregeld was. Zij gingen naar De Glind, Amersfoort, Leusden of Hoevelaken. Wel werden in de Franse tijd (1795-1813) enige verbeteringen doorgevoerd: in 1810 werd elke gemeente verplicht het gehele jaar onderwijs te bieden. Daarbij moest een onderwijzer verplicht aanwezig zijn, evenals schoolmateriaal. Er werd vastgelegd welke lesstof in welke klas aangeboden moest worden. Bovendien werd een schoolfonds ingesteld waaruit de onderwijzers (m/v) werden betaald. Ook moesten onderwijzers examen afleggen en werden ze afhankelijk van de resultaten in rangen ingedeeld.

Schoolhouder

In de eeuwen ervoor was in de gemeente Stoutenburg (Achterveld en Stoutenburg vormden tot 1969 een zelfstandige gemeente Stoutenburg) lang niet altijd gelegenheid om te leren rekenen, lezen en schrijven. Soms wierp iemand zich op om één of twee winters les te geven dan was er weer jaren niemand. De kinderen brachten wekelijks een paar stuivers schoolgeld mee voor de schoolhouder. Zo gaf in 1752 en 1753 Peel Gosense les in zijn schuur voor een vergoeding van vier gulden per jaar. Zander van Zijl hield in 1755 school in zijn bakhuis. De weduwe van Wouter Barten deed het ook voor een jaar, maar daarna was het dorp jarenlang verstoken van onderwijs. Jan Dirksen, de kleermaker hield het langer vol. Hij hield school in zijn huis van 1759 tot en met 1778.

Onderwijzer

In de grijze boerderij was, zoals de attentiesteen aangeeft, een schoollokaal ingericht waar decennialang is lesgegeven. Bewoner Teunis Greefhorst (1770-1839) gaf er in elk geval les vanaf 1821. Na zijn overlijden huurde de gemeente Stoutenburg het schoollokaal. Stephanus van den Hengel ging lesgeven in dit schoollokaal. Stephanus was een zoon van Hermanus van den Hengel, een vroegere schoolmeester die een paar winters op Daatselaar had lesgegeven. Hermanus was nadien opgeklommen tot schout, in de Franse tijd Maire genaamd en daarna, toen ons land een Koninkrijk werd, aangesteld als burgemeester. Hij stelde zijn zoon aan als waarnemend onderwijzer.

Schoolstrijd

Drie maanden later zegde de weduwe, mevrouw Greefhorst, de huur op. Ze had kennis gekregen aan Jacob van Hoolhorst en hij wilde er zelf school gaan houden. Voor Stephanus van den Hengel werd een andere ruimte gehuurd. Jacob van Hoolhorst ambieerde de functie van waarnemend onderwijzer. Omdat deze functie al vergeven was, moesten mevrouw Greefhorst en haar partner Van Hoolhorst met de school stoppen. Mevrouw Greefhorst begon vervolgens een bewaarschool in haar boerderij. Een bewaarschool - waar kinderen door hun ouders in bewaring werden gegeven als zij zelf op het land werkten - mocht iedereen beginnen, daar was geen erkenning voor nodig. Mevrouw Greefhorst lette echter niet zo precies op de leeftijdsgrens van 6 jaar en de kinderen leerden er ook rekenen, lezen en schrijven. Bovendien solliciteerde Van Hoolhorst naar de functie van officiële aanstelling van onderwijzer. De burgemeester, die het steeds voor zijn zoon opnam, zag zich gedwongen beide kandidaten een examen te laten afleggen, om aan te tonen dat ook zijn zoon bekwaam was voor de functie. Deze slaagde slechts met moeite. De plannen om een echte school te bouwen, die tot dusver nog steeds op de plank hadden gelegen, werden nu doorgezet om uit de impasse te komen. Een echte school met de aangestelde onderwijzer Van den Hengel als schoolmeester, zou de andere partij genoodzaakt zien te stoppen met het geven van onderwijs, zo was de gedachte. In januari 1841 werd met de bouw van school en bovenmeesterwoning begonnen. Stephanus van den Hengel werd in 1841 de schoolmeester op de eerste openbare school in de gemeente Stoutenburg. Hij betrok school en woning op 21 juni van dat jaar. De school met bovenmeesterwoning lag in Musschendorp nabij het toenmalige gemeentehuis (boerderij De Ruyter).

oude school

De Stoutenburgerschool - Foto: archief HKL

De gemeente Stoutenburg had in 1841 dan wel een eigen school maar op de oude locatie in de grijze boerderij in Achterveld werd toch nog doorgegaan met lesgeven. Mevrouw Greefhorst wilde graag klandizie en zag de nieuwe school het liefst gesloten. Zij was van mening dat zij als weduwe van de oude onderwijzer de oudste rechten had, maar de schoolopziener stelde haar in het ongelijk. Van Hoolhorst en Greefhorst werden gesommeerd te stoppen en gingen vervolgens door met lesgeven op een andere locatie: pal over de gemeentegrens die toen nog dwars door het dorp, net achter de kerk, liep. Zij vielen nu onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Barneveld. Uiteindelijk zijn ze na enkele jaren toch gestopt, wat het einde betekende van een heftige schoolstrijd in de gemeente Stoutenburg.

leerplichtwet

Het schoolgebouw in Musschendorp was niet bepaald duurzaam gebouwd. En de woning zelfs nog slechter. In 1863 ging Stephanus van den Hengel met pensioen en verhuisde. De woning en de school werden flink opgeknapt. De bovenmeesters die hem opvolgden bleven zich beklagen over de erbarmelijke toestand van het schoolgebouw, dat trouwens maar uit één leslokaal bestond. Uiteindelijk werd in 1895 een hele nieuwe school gebouwd, op nagenoeg dezelfde locatie. De nieuwe school had maar liefst drie lokalen. Het jaar daarop werd de bovenmeesterwoning gerenoveerd en de oude school gesloopt. Toen op 1-1-1901 de leerplichtwet inging, die kinderen van 6-12 jaar verplichtte tot het volgen van onderwijs, was de gemeente Stoutenburg daar al klaar voor.

Sint Jozefschool

In 1912 werd de RK Sint Jozephschool in Achterveld opgericht en ging van start in wat nu De Moespot is. De gemeente Stoutenburg bood de in 1927 opgerichte Vereeniging tot stichting en instandhouding van Scholen met den Bijbel, het schoolgebouw in Stoutenburg (Musschendorp) aan. Zo werd in 1928 deze van oorsprong Openbare School in Stoutenburg een Nederlands Hervormde School met de Bijbel. Openbaar onderwijs werd vervolgens tot de komst van ’t Startblok in 1972 niet geboden. De Nederlands Hervormde School met de Bijbel verhuisde in 1969 naar het centrum van Achterveld. In 1980 veranderde de naam in De Regenboog. In 1996 moest De Regenboog sluiten wegens een teruggelopen leerlingenaantal. De ernaast gelegen bovenmeesterswoning, in 1916 vervangen door nieuwbouw, is nog steeds als woonhuis in gebruik

oude school

De boerderij rond 1960 - archief HKL

oude school

Fam. Wijntjes voor de oude boerderij - archief HKL

oude school

Mevr. Wijntjes in de oude boerderij - archief HKL

Verkocht

Het grijsgepleisterde pand aan de Hessenweg in Achterveld waar een lange periode school gehouden is, werd in 1846 verkocht aan Gradus van Esveld die zich er vestigde als schoenmaker. In het pand was een roggebroodbakkerij met winkel. Venter Jan Evers bracht per kruiwagen het roggebrood rond. In 1861 verkocht Van Esveld het pand aan Goosen Wijntjes. Er werd toen ook nog een kamer en een stuk grond verhuurd aan Catherina van den Hengel. In de jaren daarna hebben meer daggelders en schoenlappers er een kamer gehuurd.

G. van Putten had een eigen loonwerkersbedrijf. Hij trouwde in 1941 met D. van Harskamp en het jonge paar betrok dit gebouw dat zij huurden van Van den Born. In 1948 kocht Van Putten het pand. In 1969 werd er verbouwd. De tweeruitsvensters en vierruitsvensters verdwenen en grote ramen kwamen ervoor in de plaats, wat het geheel een ander aanzicht gaf. In 1972 kocht de volgende generatie het huis weer over. Zij verkochten het pand in 2003. Toen sloop dreigde heeft een lokale actiegroep, die streed voor behoud van de ‘Oude school’ nog tevergeefs getracht dit te voorkomen.

oude school

Vermeulen (links) en Ewoud de Bruin strijden voor behoud van het oudste pand van Achterveld
Foto: AD 19-8-2003, Bureau Bell/Ronald Kersten uit archief Historische Kring Leusden

Bronnen:
M.R. Braun: Afbeelding op de attentiesteen van de oude school
Joep van Burgsteden, Gerrit van Bekkum, Wim van Nimwegen: Achterveld Toen en nu, Het dorp in woord en beeld. (2015)
Goos van Leeuwen en Jan Verduin: Terug in de tijd, Wetenswaardigheden uit de archieven van Leusden en Stoutenburg
Goos van Leeuwen: Geschiedenis van het onderwijs in Stoutenburg deel 1 in Historische Kring Leusden 7e jrg. nr. 4, 1991
Goos van Leeuwen: Geschiedenis van het onderwijs in Stoutenburg deel 2 in Historische Kring Leusden 8e jrg. nr. 4, 1992
J.M. Schouten: Openbare School Stoutenburg
José Huurdeman: Interview met mevrouw I. Kalshoven-van Putten Amersfoortse Courant 12 november 1983

Postkantoor

De voorzitter van de Coöperatieve Boerenleenbank en Handelsvereniging Achterveld en Omstreken vroeg in juni 1915 een vergunning aan voor de bouw van een hulppost- en telefoonkantoor. postkantoor Dit kantoor, compleet met telefooncentrale, werd nog in hetzelfde jaar geopend. De post voor Achterveld werd vanaf die tijd vanuit dit postkantoor besteld, terwijl voordien de bezorging vanuit Amersfoort plaatsvond. Er werden een kantoorhouder en een telegrambezorger aangesteld evenals enkele postbestellers. De telefooncentrale bleef lang in gebruik want in Achterveld werd automatisch telefoneren pas in 1957 ingevoerd. In 1978 moest het karakteristieke gebouw met trapgeveltje plaatsmaken voor een Welkoopwinkel. Daar werd in eerste instantie ook het postkantoor in ondergebracht, tot in 1993 het postkantoor te Achterveld moest sluiten.

postkantoor

Foto: José Huurdeman

postkantoor

Foto: José Huurdeman

Rechts van de attentiesteen ter hoogte van het voormalig Welkoopgebouw, nu Kavel 57 Shopping& Retail stond ooit dit idyllisch pand met trapgeveltje. Op de foto is ook dit witte gebouw, waar de attentiesteen ligt - bekend als De Zaal van Zandbrink - afgebeeld

Het hulppostkantoor

Het postkantoor was ontstaan op initiatief van de coöperaties en een gevolg van de toegenomen bedrijvigheid die de coöperaties met zich meebrachten. Ruurd Visser, de voorzitter van de Coöperatieve Boerenleenbank en Handelsvereniging Achterveld en Omstreken deed in 1913 voor het eerst een verzoek bij de gemeenteraad van Stoutenburg om een hulppostkantoor in Achterveld gevestigd te krijgen. In 1915 werd het realiteit.

postkantoor

Het hulppostkantoor in 1915
Foto: archief Historische Kring Leusden

Dit kantoor betekende een hele verbetering voor de bank, de handelsvereniging, de middenstand en de boeren, kortom een impuls voor de economische vooruitgang van het dorp. Het pand bestond uit een kantoor en een woongedeelte waar de kantoorhouder woonde. Voordien haalde de veldwachter van de gemeente Stoutenburg ieder dag de brieven op in het postkantoor te Amersfoort. Later bracht een besteller van het postkantoor Amersfoort de post naar Achterveld, nog steeds te voet. Kilo’s post in een tas op zijn rug, heen en terug lopend naar Stoutenburg en Achterveld.

Kantoorhouder

Op 30 oktober 1915 werd de heer Kees van Daatselaar benoemd tot kantoorhouder van het hulppost- en telegraafkantoor te Achterveld. Zijn vrouw, Adriana Jansen, werd als plaatsvervangend kantoorhouder aangesteld. Ook werden een telegrambezorger, twee postbodes en een hulppostbode aangesteld. Deze laatsten werden in 1919 aangeduid als bestellers en hulpbestellers. De eerste bestellers (vanaf 1915) waren Dirk Rijken die veertig jaar in dienst zou blijven en ene Gijsbertsen, terwijl Gerard Wijntjes in 1915 de eerste hulpbesteller werd.

postkantoor

De opening van het hulppostkantoor in 1915. Vlnr: Besteller
uit Amersfoort van ’t Hul, besteller Gijsbertsen, hulpbesteller Gerard Wijntjes,
besteller Dirk Rijken en kantoorhouder Kees van Daatselaar.
Foto archief Historische Kring Leusden

postkantoor

Het postkantoor rond 1970
Foto: archief Historische Kring Leusden


In 1978 werd het pand met trapgeveltje weliswaar gesloopt maar werd het postkantoor voortgezet in de nieuwbouw: een aanbouw aan de Welkoopwinkel, gelegen tussen dit coöperatiegebouw waar de attentiesteen ligt, en de Welkoopwinkel. In afwachting van de nieuwbouw, was het postkantoor nog even in het kantoor van dit coöperatiegebouw gehuisvest. In dit pand keerde het elf jaar later weer terug. In 1989 opende dit ‘nieuwe’ postkantoor in de voormalige ‘Zaal van Zandbrink’, het linker deel van dit coöperatiegebouw, waar nu Borgis Consultancy belastingadviseur is gehuisvest. Grote koppen in de krant over de opening van een nieuw postkantoor ten spijt, werd het postkantoor vier jaar later officieel gesloten en werd de service als postagentschap voortgezet aan de overkant, in de winkel van boekhandel Vos, ’t Hoekje genaamd. Zo is het postkantoor drie keer verhuisd, van Hessenweg 204 waar het is begonnen naar het kantoortje van de coöperatie op nummer 206, om terug te keren naar de oude plek in de nieuwbouw op nummer 204, en vervolgens weer naar nummer 206, naar de Zaal van Zandbrink. Na de sluiting - tot slot - verhuisde het voor de vierde keer, nu als postagentschap naar de overkant op nummer 232 (’t Hoekje). Als postkantoor viel het onder drie postdistricten: tot 1971 onder district Amersfoort, van 1971 tot 1988 onder Barneveld en daarna onder Nijkerk. Intussen bestaat ook ’t Hoekje niet meer. Posthandelingen worden uitgevoerd in de supermarkt De Spar van Henri en Mirjam Schouten.

Bronnen:
Wim van Nimwegen: Het hulppostkantoor te Achterveld 19150-1993 (2011)
Joep van Burgsteden: Achterveld 1674-1940 Ontstaan en groei (2006)

Zuivelfabriek Juliana

In 1910 namen enkele boeren het initiatief om vanuit de al bestaande coöperatieve vereniging een zuivelfabriek op te richten. Een jaar later was de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Juliana operationeel. melkfabriek Links bevond zich het woonhuis van de directeur en rechts de fabrieksgebouwen waar boter en kaas werd gemaakt. Voor die tijd werden deze producten thuis op de boerderij gemaakt. Nu er een fabriek was, konden boeren meer koeien houden. Alle melk kon immers naar de fabriek. Tot 1922 was er nog geen elektriciteit en werd de energie geleverd door een stoommachine waarbij de hete rookgassen via de schoorsteenpijp werden afgevoerd. Na de sluiting in 1954 - de fabriek was niet meer rendabel - zijn de oude gebouwen door diverse bedrijven gebruikt. Uiteindelijk is de gehele fabriek verdwenen maar draagt de nieuwbouw een naam als herinnering en eerbetoon aan de zuivelfabriek: Juliana Staete.

melkfabriek

Juliana Staete - Foto: José Huurdeman

De schuine oprit herinnert nog aan de plek, deze maakt de hoogte van de locatie van de fabriek zichtbaar.

De Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Juliana

De zuivelfabriek was vanaf de oprichting meteen een succes. Boeren, of liever gezegd boerinnen, stopten met het maken van boter en kaas op hun boerderij en lieten dat over aan de fabriek. Het gevolg was dan ook dat de fabriek goed draaide. Bij de boeren nam het vertrouwen in hun eigen melkfabriek toe. De fabriek gaf werkgelegenheid; behalve dat er vakkundige arbeiders in de fabriek werkten waren er melkrijders nodig om de melk bij de boeren op te halen. Ook werden er wegen aangelegd ter verbetering van de infrastructuur wat weer bedrijvigheid en middenstand aantrok.

melkfabriek

Coöperatieve Stoom Zuivelfabriek “Juliana” opgericht in 1910
Foto: archief Historische Kring Leusden

Melkbussen

Tegenwoordig zien we weer een nieuwe ontwikkeling. Boeren die de melk niet laten ophalen maar thuis op de boerderij de melk tot kaas verwerken: de kaasboerderijen. In de jaren vijftig werd de Achterveldse zuivelfabriek te klein om te blijven voortbestaan. Opkomende schaalvergroting in de melkveehouderij was daarvan de oorzaak. Ironisch genoeg was de zuivelfabriek daar mede debet aan. Door de fabriek immers konden de boeren meer koeien houden. Alle melk werd opgehaald, het behoefde niet meer thuis verwerkt te worden. De eerste melkrijders haalden de melk op met paard en wagen. De melk werd in melkbussen vervoerd, die de boer aan de straat had klaargezet. Bij het ophalen van de volle bussen, kreeg de boer lege melkbussen terug. Aan het eind van de maand brachten de melkrijders het melkgeld voor de boeren mee, dan duurden de ritten wel wat langer. Het geld zat voor elke boer netjes uitgeteld in een envelop. Later werd het paard vervangen door de tractor en nog weer later, maar toen bestond de fabriek in Achterveld al niet meer, werden de melkbussen vervangen door een gekoelde melktank op de boerderij en kwamen grote tankwagens de melk ophalen. Dat is nu nog steeds het geval.

melkfabriek

Melkfabriek ‘Juliana”
Foto: archief Historische Kring Leusden

Gesloopt

In 1954 fuseerde de zuivelfabriek met die van Ede-Wageningen en werd de locatie in Achterveld gesloten. In de oude fabrieksgebouwen vestigden zich achtereenvolgens Born’s Plaatverwerkende Industrie, James Way pluimveestalinrichting, Minnema en van Hemmen BV groothandel in aardewerk, tot in 1976 de melkfabriek gedeeltelijk werd gesloopt. Het overblijvende deel werd gebruikt als onderdeel van nieuwbouw voor het bedrijf van Piet van Heugten met Heuga tapijttegels. Zoon Piet vertrok uit het bedrijf om in 1984 in Renswoude te starten onder de naam Kela tapijt. Uiteindelijk kwam het pand leeg te staan en werd vervolgens helemaal gesloopt en in 2001 vervangen door de huidige nieuwbouw met appartementen boven Brouwer projectinrichting en supermarkt Spar van Henri en Mirjam Schouten

Bronnen:
Joep van Burgsteden: Achterveld 1674-1940 Ontstaan en groei (2006)
Joep van Burgsteden, Gerrit van Bekkum, Wim van Nimwegen: Achterveld Toen en nu, Het dorp in woord en beeld. (2015)
Internet: www.kela-tapijttegels.nl/historie

Leusden-Centrum

In Leusden-Centrum liggen vier attentiestenen allemaal langs de Hamersveldseweg

Ansfridushuis 1898-1981

Op initiatief van pastoor C. van de Leemkolk werd onder architectuur van Herman Kroes een kloosterschool gebouwd: het Sint Ansfridusgesticht. ansfridus In 1898 betrokken de eerste zusters van de Congregatie ‘De Arme Dienstmaagden van Jezus Christus’ uit Lutterade het Ansfridushuis. In de daaropvolgende jaren namen slechts vijf nonnen de zorg op zich voor de zieken- en bejaardenverzorging en het katholieke meisjesonderwijs, inclusief fröbel- en naaischool. Het huis bood tevens plaats aan kostdames. Na de Tweede Wereldoorlog werden er ook heren opgenomen. Het klooster inclusief kapel bevond zich in het voorste deel, terwijl de klaslokalen in het achterste deel op de begane grond gelegen waren. Generaties meisjes hebben hun schooljaren hier doorgebracht. Nadat in 1978 de laatste vier zusters naar een naast gelegen pand verhuisden, werd in 1981 het karakteristieke beeldbepalende klooster afgebroken.

Ansfridus

Hamersveldseweg naast nr. 57 de drie beuken
Foto: José Huurdeman

De drie statige beuken zijn de nog levende getuigen van het klooster. De kruinen van de bomen zijn, gezien vanaf de attentiesteen, rechts voller dan links, hoewel de kruinen zich nu ook links ontwikkelen. De bomen stonden dicht langs het klooster waardoor de kruinen maar aan één kant konden groeien.

Huize Sint Ansfridus impuls voor onderwijs en gezondheidszorg

De zusters, hoewel steeds in gering aantal aanwezig - maximaal acht in getal - zijn van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het katholieke Hamersveld. Zij gaven vorm aan het katholieke meisjesonderwijs, het katholieke kleuteronderwijs, en aan de gezondheidszorg. Waren er eerst alleen dames in pension, in 1946 werd de eerste man opgenomen, de koster Ipenburg. Het klooster kan als voorloper van het woonzorgcentrum ’t Hamersveld worden gezien. Ook de ziekenverpleging namen de zusters op zich. Vanaf het allereerste begin verzorgden de zusters zieken en bejaarden. Ze hielden ook nachtwakes bij ernstig zieken, zowel in het huis zelf als in de thuissituatie. In 1933 werd de Wit-Gele Kruisvereniging opgericht. De eerste jaren werkte de wijkzuster vanuit het klooster; pas in 1951 werd het ernaast gelegen Wit-Gele Kruisgebouw in gebruik genomen.

De fröbelschool

De fröbelschool (kleuterschool) startte in 1940 en was gesitueerd achter de jongensschool (nu De Til). Tegelijk ging op dezelfde locatie ook de naaischool voor de oudere meisjes onder leiding van een andere zuster van start. De taalschool, zoals de lagere school genoemd werd, begon in 1898 met 28 meisjes tussen 6 en 12 jaar uit Hamersveld, Leusbroek en Stoutenburg en breidde zich gestaag uit. Vanaf 1902 kreeg de zuster hulp van een lekenleerkracht. Het eerste schoolhoofd was zuster Hermanna, in 1904 opgevolgd door zuster Alphons. In 1925 nam zuster Aframa het stokje over en in 1938 kwam zuster Lidwina. Met de komst van zuster Imelda in 1960 veranderde de naam van de rk-meisjesschool in Sint Bernadetteschool. De school zou blijven bestaan tot 1973 al was die kort daarvoor overgegaan tot ‘gemengd’ onderwijs. Zuster Imelda bleef nog tot 1982 schoolhoofd van de nieuwe school, de Klim-op, later Klimrakker. De congregatie was van oorsprong Duits en enkele nonnen hadden de Duitse nationaliteit. Op 10 mei 1940 werden deze drie zusters, waaronder Moeder Overste, gearresteerd. Maar gelukkig voor hen werden zij na verhoor op 11 mei weer vrijgelaten en konden ze zich bij de geëvacueerde inwoners van Hamersveld in het Noord-Hollandse Limmen voegen. In 1978 verlieten de laatste vier kloosterzusters het Ansfridushuis en verhuisden naar het naastgelegen pand, het vroegere Wit-Gele Kruisgebouw, dat zij omvormden tot een klooster. Zij plaatsten het Ansfridusbeeld in een nis naast de voordeur. Nadat zij in 1993 ook dat pand hadden verlaten werd er in 1996 een restaurant in gevestigd, met de toepasselijke naam ’t Zustertje. Zuster Imelda, heeft nadien nog jarenlang in een seniorenwoning aan de overkant gewoond en overleefde haar medezusters. Toen ze hulpbehoevender werd, werd ze opgenomen in een Valkenburgs verzorgingshuis waar ze op 12 mei 2015 op 93-jarige leeftijd overleed. Op 30 augustus 2015 werd haar urn na een herdenkingsviering in de Sint Jozefkerk in Leusden bijgezet op het parochiekerkhof bij de andere zusters die daar begraven liggen: zuster Augusta, zuster Almeda, zuster Lyona, zuster Victora en zuster Rosa. Zo kwam de laatste zuster van het Ansfridushuis weer terug naar Hamerveld, een gebeurtenis die vrijwel samenviel met de plaatsing van de attentiesteen van het Ansfridushuis.

Oprichting Huize Sint Ansfridus

drs Leonie van Beckum

Van een (openbare) school in Hamersveld is pas in 1799 sprake, in te richten aan de Hamersveldseweg naast het land “den Bogaart” ter hoogte van de huidige |Schoolsteeg. Zij werd in 1802 in gebruik genomen. Ten tijde van pastoor Otten (1824-1851) liet de gemeente vlakbij een nieuw gebouw optrekken (1825). Bijna een eeuw lang is de katholieke jeugd naar deze openbare school gegaan, als ze tenminste op de boerderij gemist konden worden. Het kerkbestuur wilde een katholieke meisjesschool oprichten, maar het was moeilijk daarvoor religieuzen aan te trekken. Want iedere parochie wilde wel een zuster- of fraterschool voor de katholieke opvoeding van de jeugd. Door bemiddeling van kapelaan Olthoff is het pastoor Leemkolk gelukt om enkele zusters van de congregatie der Arme Dienstmaagden van Jezus Christus naar Hamersveld te halen. In 1896 kocht het kerkbestuur van Jacobus Voskuilen een stuk land van de hoeve Rossenberg, groot 200 roeden (ca 28 are of 2800 vierkante meter), voor F. 500,-, om daarop een zusterhuis te bouwen. Beneden kwam dan de r.k. zusterschool.

Ansfridus

Huize Ansfridus - Foto: archief Historische Kring Leusden

Bewaar- en naaischool

Het jaar daarop vond de bouw plaats met behulp van parochianen die vrijwillig de meeste zand- en bouwmaterialen aanvoerden. Herman Kroes uit Amersfoort was de architect. De begroting zonder de bovenbouw bedroeg ruim F. 17.000,-. Het metselwerk werd aangenomen per duizend steen door D. van Keulen, het timmerwerk door de timmerlieden C. Eggenkamp en H. Rootselaer, het verfwerk door G. van Raaij, allen inwoners van Hamersveld. De zusters kwamen uit het Duitse moederhuis te Dembach naar Hamersveld in 1898. De inzegening van het gesticht vond plaats op 16 februari door de deken, met de predicatie “opwekkend woord” van kapelaan R. van den Hengel, assistent te Wolvega. Op 18 januari 1898 was de oprichting van Huize Sint Ansfridus een feit. De zusters openden eerst een bewaar- en naaischool, die ieder door ruim 30 kinderen werden bezocht. In september werd de “taalschool” (lagere school) voor meisjes geopend eveneens voor een dertigtal kinderen. In het gesticht zijn drie weeskinderen opgenomen en er was - voor Hamersveld voor het eerst- gelegenheid voor verpleging van oude en ziekelijke dames tegen betaling. Vandaar dat de parochianen al gauw spraken van ’t Sticht. Van de inkomsten die de zusters ontvingen, gaven zij een vierde deel aan het kerkbestuur als vergoeding voor het vrij wonen. In de "Eembode" van 26-2-1898 is te lezen:

"Hamersveld. In deze gemeente is een monumentaal gebouw verrezen.. (...) Het voorgedeelte is bestemd voor bewoning der Eerw. Zusters, daar bevinden zich: de spreekkamer, refter en keuken met bijkeuken, waaronder de kelder is gelegen. Ruime en zeer gemakkelijke trappen voeren naar de bovenverdieping, waar de bidkapel, ziekenkamer, Slaapzaal en logeerkamer zijn gelegen. Het achtergedeelte is bestemd voor onderwijs en huisvesting, het bevat 3 ruime frissche schoollokalen en 10 net ingerichte kamers voor kostdames. Eene flinke ruime speelplaats voor de kinderen en eene groote fraaie tuin voor de bewoners, maken het geheel tot een oord, waarop de gemeente Hamersveld met recht trotsch mag zijn. "

Uit historie van basisschool “Klimrakker”

1898 - 1960 achtereenvolgens de zusters Hermanna, Alphons, Afrana en Lidwina schoolhoofd

José Huurdeman

Vier weken na de aankomst van de eerste zusters, vond op 19 februari 1898 de opening plaats van de bewaarschool (kleuterschool) met 15 leerlingen, o.l.v. Zuster Eumenia. Op 29 september van hetzelfde jaar begonnen de zusters met de taalschool (lagere school) voor meisjes met 28 leerlingen. Zuster Hermanna werd het schoolhoofd. De zusters (in al die jaren hooguit acht in getal) verzorgden behalve het onderwijs ook de verpleging van zieken en bejaarden, waaronder nachtwaken bij ernstig zieken. Door de drukke bezigheden van de zusters is, noodgedwongen,de kleuterschool in 1902 opgeheven. In 1902 werd op de meisjesschool de lekenleerkracht benoemd: mej. Hamers. Het is niet duidelijk hoe lang zij aan de school verbonden is geweest. Zuster Alphons heeft in 1904 Zuster Hermanna opgevolgd als schoolhoofd. Zuster Alphons werd in 1919 moeder-overste.

Ansfridus

Links zuster Hermanna, het eerste hoofd van de meisjesschool (1898-1904) en rechts haar nicht zuster Isentruda, die hoofdleidster was van de kleuterschool (1947-7955). De foto dateert van omstreeks 1940. Foto: archief Historische Kring Leusden

Oud-leerlinge Jans (Johanna Maria) Vrijhoef, geboren op 15-8-1911, woonde tegenover het Ansfridusgesticht waar nu de "Geertrudishof' staat. Het schooljaar begon op 1 april en als je dan zes jaar was, kon je naar school. Jans ging naar school terwijl ze in augustus pas zes jaar zou worden. Er waren maar twee afdelingen: de laagste drie klassen kregen les van Zuster Wirona en de hoogste drie klassen van Zuster Alphons. Eén klas lager dan Jans, zat Tijn (Martine Maria Josephina) van de Hengel. Zij is geboren op 11-3-1912. Ook zij heeft les gehad van Zuster Wirona. In 1920 kwam juffrouw W. Onland in dienst en werd de school in drie afdelingen gesplitst. Tijn heeft kort les gehad van juffrouw Onland. En in de hoogste klassen zat ze bij Zuster Alphons. Jans verliet de school in 1923 en Tijn in 1924. En nog steeds was Zuster Alphons het hoofd der school! In 1925 vertrok Zuster Alphons uit Hamersveld en zij werd datzelfde jaar opgevolgd door Zuster Aframa. Oud-leerlinge Jaantje (Adriane Johanna) Schimmel, geboren op 23-7-1913, weet namelijk zeker dat zij in 1925, in de vijfde klas en ook in de zesde, bij Zuster Aframa heeft gezeten. In 1928 is deze zuster er even tussenuit geweest. Juffrouw A. Thijssen kwam toen invallen. Toenmalige leerlinge Cilia (Cecilia Arnolda) Blom vond de juffrouw veel leuker dan de Zuster! De juffrouw was nog jong en deed veel leuke dingen met de meisjes, zoals buiten op het schoolplein gymmen.

Ansfridus

Juffrouw Thijssen met een groep communicantjes in lokaal van de meisjesschool begin jaren dertig.
Foto: archief Historische Kring Leusden

In 1929 kwam Zuster Aframa weer terug en kreeg juffrouw Thijssen haar vaste aanstelling. Juffrouw Thijssen is 42 jaar gebleven tot aan haar pensioen in 1971. Zij woonde de eerste jaren intern. Er waren lange tijd drie leerkrachten: twee zusters, waarvan één schoolhoofd, en juffrouw Thijssen als enige "leek". De pastoor was altijd voorzitter van het schoolbestuur. Juffrouw Thijssen heeft er vier meegemaakt: H.Th. van Harten, H.J. Croonen, C. van Wee en H.A.M. Kitselaar. In 1938 werd Zuster Aframa opgevolgd door Zuster Lidwina. Inmiddels was er nu ook een zevende klas. Je mocht pas van school gehaald worden om te gaan werken, als je op 1 april 13 jaar oud was.

1960 - 1973 Sint Bernadetteschool met zuster Imelda als "hoofd”

In 1960 werd Zuster Imelda als schoolhoofd aangesteld op de katholieke meisjesschool en zij begon in de zesde klas. Slechts 18 leerlingen telde deze klas. Er waren veel lege banken, bestemd voor de zevende en achtste klas, maar deze klassen waren met het vertrek van Zuster Lidwina blijkbaar opgeheven. Op verzoek van zuster Imelda en na verkregen toestemming van pastoor van Wee kreeg de meisjesschool een eigen naam: "Sint Bernadetteschool" (vernoemd naar Bemadette van Lourdes). Ook in datzelfde jaar (1960) startte het schoolzwemmen, in het Sportfondsenbad, voor de vijfde en de zesde klas. Er werden bijlessen gegeven aan de meisjes die gingen "doorleren" aan de MULO. Meester Lindeman trad aan in 1966 en hij stond voor de tweede klas, deze klas was gehuisvest op de boven- verdieping van het Wit-Gele kruisgebouw. Vanaf daar kon je over het hele schoolplein uitkijken.

1968 Gemengde klassen

De "Sint Bernadetteschool" bleef een meisjesschool tot 1968. In september van dat jaar werden op zowel de jongensschool, die verhuisde naar de nieuwbouw "de Rossenberg" op de huidige locatie, als op de "Sint Bernadetteschool", gestart met gemengde eerste en tweede klassen. Daartoe werd door het schoolbestuur een wijkindeling gemaakt, waarbij men ervan uitging dat de nieuwbouw van de "Sint Bernadetteschool" in het plan de Wetering zou komen. Toen in 1974 de derde katholieke school "Kinderland" werd opgericht, werd weer een nieuwe wijkindeling gemaakt. Overigens moesten deze kinderen nog lang in noodlokalen onderwijs genieten, want het schoolgebouw van Kinderland werd pas geopend in 1982.

1973 - 1983 Lagere school "Klim-op"

In december 1972 heeft de verhuizing plaatsgevonden van de "Sint Bernadetteschool naar de nieuwe "Klim-op" school. Tijdens de bouw, toen het hoogste punt bereikt was, zijn alle kinderen van de oude school op de fiets naar de nieuwe school gegaan, waar Corien van Klooster de vlag mocht planten in de patio Op 2 januari 1973 startte de nieuwe school. Het team bestond uit: Zuster Imelda, Max Lindeman, Bas Hoogenboom, Gerard Bos, Jaap Riewald en Simone Lerrick. Op 24 april 1973 werd de school officieel geopend door pastoor Kitselaar.

In 1981 zag men de monumentale waarde van het pand aan de Hamersveldseweg blijkbaar niet meer in, want in dat jaar is het gesloopt. De laatste vier bewoonsters van Huize Sint Ansfridus", zoals het toen werd genoemd, waren de zusters Agatha, Rosa, Nuberta en Imelda (zie foto op pag. 926). Zij namen hun intrek in het er naast gelegen voormalige Wit-Gele Kruisgebouw. Dit gebouw is later bekend geworden als restaurant "t Zustertje" en inmiddels ook gesloopt.

Ansfridus

Huize Sint Ansfridus, waarin de R.K. meisjesschool is begonnen, vlak voor de sloop in 1981. Ervoor de laatste vier bewoonsters: v.l.n.r. de zusters Agatha, Rosa, Huberta en Imelda. Zuster Imelda was de laatste religieuze die hoofd was (1960-1982).
Foto: Amersfoortse Courant 10 januari 1981

Bronnen:
Drs. Leonie van Beckum: De katholieke kerk in Leusden, ca. 1000 – ca. – 1980, 2002
José Huurdeman: Historie van basisschool “Klimrakker” in Historische Kring Leusden 23e jrg. nr. 1, 2007
Wim Bos: Honderd jaar katholiek onderwijs in Leusden.

De Swarte Steegh 1667-1958

In 1667 wordt de Swarte Steegh al vermeld als herberg en in 1698 wordt gesproken over de ‘gerechtsbanck aan den Swarte Steegh’. swartesteegh Vanwege de functie als Rechthuis had de boerderij een beeld van Vrouwe Justitia in de schouw van de schoutenkamer. De hofstede De Swartesteegh maakte in 1958 plaats voor een bankgebouw van de Boerenleenbank en was de eerste boerderij die geslecht werd voor de expansiedrift van Leusden. Bij de hoeve annex herberg, tapperij en Rechthuis hield de postkoets van Amsterdam naar Arnhem halt. In de gelagkamer stond een borstbeeld van Bacchus, de god van de wijn, op de schouw. De schoutenkamer deed vanaf de zeventiende eeuw tot de Franse Tijd dienst als Rechthuis voor Hamersveld, Asschat, Snorrenhoef en Donkelaar. Daar zetelde de notaris en vond rechtspraak plaats voor kleine vergrijpen. Daarna werd deze als raadzaal gebruikt tot in 1880 het gemeentehuis gereed kwam. .

swartesteegh

Situatie van 2015 - Foto: José Huurdeman

De exacte locatie van de attentiesteen is nog niet bekend; wanneer de bestrating rond De Biezenkamp wordt gelegd, wordt de attentiesteen daarin meegenomen. Na de sloop van boerderij De Swartesteegh verrees er een bankgebouw waarin nu Villa Blanca van Stichting Kinderopvang is gehuisvest, maar in het vlakbij gelegen etablissement (van zowel café als snackbar) is de naam De Swartesteegh blijven voortbestaan.

De Swartesteegh

In 1667 werd de herberg genoemd als die van Geurt Simonsz, een naam die op oude kaarten nog staat vermeld. Rond 1800 was Arie Wassing de herbergier en voor hem de gezusters Voskuijlen. Wassing was erfgenaam van deze gezusters. In 1834 werd ‘de boerderij, annex herberg, uitspanderij en Gerechtshuis De Swarte Steegh’ door de erven van Arie Jansen Wassing verkocht aan notaris Johannes Theodorus (Jan) van den Hengel. Notaris Jan van den Hengel woonde naast de Swartesteegh en kocht de hoeve uiteindelijk op zeventigjarige jarige leeftijd. Aanvankelijk was hij boer en smid. Aan het begin van de Franse tijd in 1795 heeft hij zich opgeworpen als gemeentesecretaris en is van daaruit het notariaat in gegaan. Hij was ook grondspeculant en werd een vermogend man. De Swartesteegh was een bijzondere hoeve. Boven de voordeur troonde een mooie levensboom.

swartesteegh

De voordeur met een mooie levensboom
Foto: Cor v.d. Hengel, archief Historische Kring Leusden

De bezoeker trad binnen in een brede gang. Links gaf een deur toegang tot de gelagkamer met een enorme schouw met daaronder een potkachel. De schouw was versierd met klimopranken en het borstbeeld van Bacchus was het pronkstuk. Aan de overkant van deze kamer bevond zich de schoutenkamer. Het beeld van Vrouwe Justitia voerde hier de boventoon. Vrouwe Justitia is van oorsprong een Romeinse godin, zij staat symbool voor de rechtspraak. De weegschaal stelt de afweging voor van de bewijzen en getuigenissen die in het voor-of nadeeel van de verdachte spreken. De blinddoek geeft aan dat zij recht spreekt zonder aanziens des persoons. Het zwaard staat voor het vonnis dat moet worden uitgesproken. Vrouwe Justitia in De Swarteweegh opende zelfs met de punt van haar zwaard het wetboek. Achter haar verborg zich een hulpeloos kind wat aangaf dat zij waakte over het recht van de zwakkere.

swartesteegh

Schouw met beeld van vrouwe Justitia, dat de raadskamer van de Swartesteegh sierde
Foto: Cor v.d. Hengel, archief Historische Kring Leusden

Tot de Franse Tijd heeft in deze schoutenkamer rechtspraak plaatsgevonden. Hier werden alleen kleine vergrijpen berecht. Halsmisdaden waarbij de verdachte tot onthoofding of ophanging kon worden veroordeeld (vandaar de naam halsmisdaad) zoals moord en doodslag werden door de Maarschalk van Eemland op De Hof in Amersfoort berecht. De kleine rechtspraak betrof ontucht, vechtpartijen en burenruzies. In deze kamer kwamen ook de buurmeesters van verschillende gerechten bijeen en de notaris zetelde er voor het opstellen en overdragen van akten, transportoverdrachten van onroerend goed, hypotheken en cessies.

swartesteegh

Boerderij De Swartesteegh - archief Historische Kring Leusden

Vanaf 1813 toen Nederland een koninkrijk werd, kwamen de middeleeuwse bestuursfuncties te vervallen en veranderde de functie van de schoutenkamer. In plaats van schout en buurmeesters vergaderden er sinds die tijd de burgemeester met de gemeenteraad in de schoutenkamer. Zo fungeerde deze boerderij tot 1880 als Leusdens eerste gemeentehuis. Gradus van den Hengel, achterkleinzoon van koper Jan van den Hengel zette de boerderij in 1955 te koop wat in 1958 tot de sloop zou leiden.

Bronnen: Goos van Leeuwen : Wandelen door de geschiedenis van Leusden (2004) Drs. C.G. van den Hengel: Op weg naar honderd jaar Rabobank Leusden. (1994) Drs. C.G. van den Hengel: Transcriptie van de Protocollen van Leusden Jan Verduin: In ’t Voorbijgaan (1989) Wout van Kooij: Afbeelding op de attentiesteen van de Swartesteegh.

Tabaksschuur 't Spul 1777-1978

Vanaf het midden van de zeventiende eeuw tot halverwege de negentiende eeuw kende Leusden een belangrijke tabakscultuur. tabaksschuur Veel boerderijen hadden een tabaksschuur, soms met een lengte van tachtig tot honderd meter, waar de tabaksbladeren werden gedroogd. In 1777 kocht de vermogende tabakshandelaar Benjamin Cohen 51 hectare grond rondom de hofstede de Busaert. Alle grond werd geschikt gemaakt voor de tabaksteelt. Tweehonderd meter achter de Busaert bouwde hij een opzichterswoning met een tabaksschuur van honderd meter lang, in de volksmond ’t Spul genoemd. Begin negentiende eeuw werd de tabaksplantage verkocht. ’t Spul werd een boerderij waarbij twintig meter van de tabaksschuur overbleef. Bij de aanleg van de wijk Groenhouten verdween de boerderij maar bleef de schuur behouden. Wegens bouwvallige staat werd de laatste tabaksschuur van Leusden in 1978 afgebroken.

tabaksschuur

De vijver markeert de locatie waar 't Spul heeft gestaan
Foto: José Huurdeman

De laatste tabaksschuur van Leusden lag, gemeten vanaf de attentiesteen, nog 300 meter verder De Dissel in, achter de basisschool De Hobbit. De vijver markeert de locatie waar de opzichterswoning, later boerderij ‘t Spul met de schuur gestaan hebben. In Hamersveld waren wel meer van dergelijke grote plantages met schuren van wel honderd meter lang. Ook op Heiligenberg was er één en in Stoutenburg bij boerderij Nieuw Horst. De gewone boer had een tabakshoekje waarvoor een kleine schuur voldoende was.

De inlandse tabaksteelt en Leusden

drs. J.J. Herks

Het is merkwaardig dat een zo belangrijk middel van bestaan als de inlandse tabaksteelt in onze omgeving vrijwel geen spoor heeft nagelaten. Vooral voor Amersfoort is de teelt van en de handel in tabak de kurk geweest waarop de economie drie eeuwen dreef, wat maar weinig bekend is. Door de ontdekkingsreizen naar Amerika in het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw kreeg de tabak in Europa bekendheid. In de tuinen van Span je en de Zuidelijke Nederlanden werd in die tijd de tabak als sierplant en geneesmiddel geteeld. Langzamerhand kreeg de tabak, ondanks strenge verbodsbepalingen, in de eerste helft van de zestiende eeuw in onze gewesten vaste voet als genotrniddel. De telers van de tabak in Amersfoort kwamen naar alle waarschijnlijkheid uit Engeland en Schotland waar de teelt verboden was. Op grond van een acte van 25 oktober 1625 is aannemelijk dat na dat jaar voor het eerst tabak in Amersfoort werd verbouwd.

Waarom in Amersfoort?

In het begin van de zeventiende eeuw was er een teruggang in twee belangrijke middelen van bestaan t.w. "de brouwnering" (brouwerijen) en de textielnijverheid. Dit had tot gevolg dot de ondernemers nieuwe mogelijkheden voor hun kapitaal zochten terwijl aan de andere kant werkkrachten beschikbaar kwamen. Dit was vooral voor de tabaksbouw van belang omdat die teelt zeer arbeidsintensief was. Bovendien was veel ongeschoolde arbeid vereist waar vooral vrouwen, kinderen en zelfs invaliden werk vonden. Niet alleen de bovengenoemde vermogende kooplieden, waaronder een aantal joden, maar ook de stedelijke overheid zocht nieuwe wegen voor economische activiteiten. Zo hielden in de loop van de zeventiende eeuw ook leden van de vroedschap zich met de tabaksteelt bezig. Dit had tevens tot gevolg dot de teelt en handel van de inlandse tabak door het stadsbestuur werd gesteund, wat onder meer tot uitdrukking kwam in zeer matige belastingen. De grond in en om Amersfoort was geschikt voor de teelt, waarbij ook grote hoeveelheden mest nodig waren. Via de Eem kon die mest worden aangevoerd, terwijl de export via de Eem en de Zuiderzee kon geschieden. Aanvankelijk werd de tabak binnen de stadsmuren verbouwd en had het karakter van tuinbouw in kleine percelen. maar al spoedig nam de vraag toe zodat ook de teelt moest worden uitgebreid. Van 58 planters in 1636 nam het aantal tot 200 in 1750 toe. Een probleem bij de teelt was dat de tabaksbladeren na de oogst gedroogd moesten worden. Aanvankelijk geschiedde dat op zolders van kerken, kloosters en kapellen en zelfs op de zolder van het stadhuis. Later verrezen rond Amersfoort grote droogschuren "veele in lengte en breedte als kerkgevaarten, ja sommige veel groter". Ook Leusden had droogschuren. Een overblijfsel van een schuur bij "'t Spul" werd enige jaren geleden gesloopt. De teelt van de tabak was voor Amersfoort een "hoofdneeringe". Zo telde de stad in het begin van de achttiende eeuw ongeveer 8000 inwoners, waarvan 1200 direkt bij de tabaksbouw waren betrokken. In drukke tijden waren dat er zelfs 1600! Daarnaast vonden 2800 Amersfoorters indirect hierbij werk zoals timmerlieden, schippers, mandenmakers, waagknechten, expeditiepersoneel, pijpenmakers en fabrikanten van tabak- en snuifdozen. Van Amersfoort breidde de teelt zich uit naar Nijkerk, Woudenberg, Leusden, Barneveld, Ede en Wageningen maar de tabak werd vrijwel uitsluitend via Amersfoort verhandeld en geëxporteerd. Afzetgebieden waren Denemarken, Noorwegen, Rusland, de Baltische landen en Frankrijk.

Familie Italiaander en Cohen

Bij de ontwikkeling van de inlandse tabaksteelt in Amersfoort en omgeving hebben de joden een grote rol gespeeld. Dit is o.a. toe te schrijven aan het feit dat de joden zich vrij in de stad mochten vestigen en bescherming van het stadsbestuur ondervonden. De eerste Spaanse en Portugese joden kregen in 1654 toestemming om in de stad te wonen. Twee families t.w. de familie Italiaander en Cohen hebben zich vooral met de tabak beziggehouden. Zowel Jonas als zijn broer Samuel Cohen waren tabakshandelaren van formaat maar de belangrijkste vertegenwoordiger van de familie Cohen was Benjamin Cohen die in 1726 werd geboren en zich ook met de teelt en handel van tabak bezighield. Onder zijn leiding kwam de zaak tot grote bloei. In 1780 liet hij een nieuw huis bouwen aan de Zuidsingel in Amersfoort (het huis met de paarse ruitjes) en hij kon in die tijd tot de miljonairs gerekend worden. Hij onderhield goede betrekkingen met financiële kringen in Engeland en Duitsland en gaf aan het stadhouderlijke hof financiële adviezen. Daarnaast was hij een geleerde van grote faam. Hij breidde zijn bezit aan tabaksplantages voortdurend uit, niet alleen in en om Amersfoort, maar ook in Hoevelaken, Isselt, Woudenberg en Leusden.

Over het aantal tabaksplanters in Leusden en de omvang van hun plantages is weinig of niets bekend. Wel weten wij dat Benjamin Cohen in 1778 de hofstede "de Busaert" (groot 51 morgen = circa 40 hectare) gelegen in het toenmalige Hamersveld kocht. Hij liet het hele terrein herontginnen voor de verbouw van tabak. Ongeveer halverwege tussen de Hamerveldse weg en de Grift liet hij een redelijk groot huis bouwen en bij de voormalige boerderij "'t Spul", dat ook tot "Busaert" behoorde, verrees een tabaksschuur. Door de teruggang in de tabaksteelt werd de hofstede "de Busaert" in drie gedeelten in 1801, 1803 en 1806 verkocht. De laatste verkoop betrof 4 morgen "zwaar en best tabaksland." Bovendien was Helmich Warneke rond 1725 een Leusdense tabaksbouwer. Hij was eigenaar van de boerderij "de Zuidwind" die nog steeds bestaat. Willem Hendriks, een rijke tabaksboer, bezat tabaksland aan de Oostzijde van de Hamerveldse weg. De arbeiders in de Leusdense tabaksteelt kwamen als seizoenswerkers hoofdzakelijk via Heiligenberg en de Grift uit Amersfoort. De in Leusden geteelde tabak werd via Amersfoort verhandeld.

Snuiven

De Amersfoortse tabak had grote stugge bladeren en de kwaliteit liet te wensen over. Het had een sterke bittere smaak. (Amer-fort = bitter-sterk). Het werd gebruikt als rook- en pruimtabak maar was niet geschikt voor sigaren en sigaretten. Een goede toepassing vond de tabak in de fabricage van snuif, waar het werd vermengd met kruiden en zelfs met jenever of cognac. Het snuiven was een modeverschijnsel, vooral in Frankrijk waardoor de Amersfoortse tabak een goed afzetgebied vond. In Amersfoort herinnert "de Snuifmolen" (Weverssingel) aan de fabricage. De beste tijd voor de Amersfoortse tabak was als er door oorlogshandelingen geen aanvoer uit de West mogelijk was. Daarbij zijn de volgende uitzonderlijke perioden te onderscheiden: De Derde Engelse oorlog (1674-1678), de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1774-1783) en het Continentale Stelsel (1806-1812). In de laatst genoemde periode werd de tabak vijf maal zo duur als daarvoor. Maar ook de tussenliggende jaren waren gunstig voor de handel in de Amersfoortse tabak, welke in grote hoeveelheden werd geëxporteerd. Zo had de uitvoer in 1787 een waarde van toen Fl. 1.200.000,-- terwijl 1798 het gouden tabaksjaar was, "zaaden ener plant waar onze Eemstad goud uitpuurt." Directe aanleiding tot de teruggang van de inlandse tabaksteelt was de Tabaksregie van Napoleon die de teelt en verwerking van tabak verbood. Nadien werd in het begin van de negentiende eeuw uit Amerika tabak in steeds grotere schepen geïmporteerd. Dit was vooral het geval na 185??? n met de zeer goede tabak uit Java, die bovendien geschikt was voor de fabricage van sigaren. Alleen in de oorlogsjaren van 1940-1945 werd door een aantal amateurs nog tabak voor eigen gebruik geteeld. Het is jammer dat de tabaksschuur bij "'t Spul" is afgebroken,en plaats gemaakt heeft voor een plantsoentje, zodat alleen de namen Cohensteeg en Tabaksteeg herinneren aan een economische activiteit die ook voor Leusden van betekenis is geweest.

tabaksschuur

Boerderij ’t Spul, die eind jaren ’70 plaats maakte voor de bouw van wijk Groenhouten. Op het dak is de klok te zien waarmee het landvolk naar de boerderij werd geroepen voor de “middagmuis”of de koffie.
foto: archief Frans van Loenen Uit Historische Kring Leusden verenigingsblad Leusden Toen 18e jrg. 2002 nr. 2

TABAKSSCHUREN OP HAMERSVELD

Inleiding

Dhr. Ronald van der Bie hield op 25 april 2002 een lezing over 'Tabaksteelt en Tabakscultuur'. Tijdens de rondvraag noemde dr. C.G.van den Hengel uit het hoofd de boerderijen in Hamersveld, waar naar zijn informatie vroeger tabak was verbouwd. Een indrukwekkende prestatie! Wij hebben dhr.Van den Hengel verzocht zijn informatie op papier to zetten, zodat deze met verloren zou gaan. Hier volgt een beknopt overzicht. Het origineel is in onze bibliotheek opgenomen.

Afkortingen en Toelichtingen:
G = gebint of spant (ca. 4 meter, voorheen 6e1?)
L = lengte in gebinten
Roede = Als lengtemaat 12 voet of ca. 3,77 meter
Als oppervlaktemaat ca. 14,2 vierkante meter
Morgen = 600 vierkante roeden = ca.0.85 ha of bunder
Prot. = Prothocollen (notulen van vrijwillige rechtzittingen 1605 - 1809)
Het merendeel van de informatie is aan deze Prothocollen ontleend
Bruiker = (Ge)bruiker van het onroerende goed. Meestal de pachter, maar soms ook de eigenaar
B.G. = Belangrijke gegevens
E.V. = Eerste vermelding in documenten
De route gaat van zuid naar noord door Hamersveld. Alle grote schuren stonden op afstand van het woonhuis

Zuidwind. L 26 of ca. 100 meter. E.V. 2-7-1746. B.G: De bekende tabaksboer Warneke was rond 1720 eigenaar van deze boerderij. De Tabakssteeg in Leusden-Zuid herinnert aan de periode van de tabaksteelt.

Kleine Kapel. B.G: De varkensschuur is de na ca. in 1870 verbouwde tabaksschuur. Gart van den Hengel Wozn. had tot dan een dagtaak aan de tabaksteelt.

Grote Kapel. B.G: Er is op dit erf een perceel dat vanouds het `Tabakshoekje' heet. Omdat er geen gegevens zijn omtrent een tabaksschuur, lijkt het dat ooit bij gunstige tabaksprijzen de buurman een geschikt perceel tegen een hoge pacht tijdelijk heeft verhuurd.

tabaksschuur

De laatste tabaksschuur- van Leusden achter boerderij "`t Spul. Eind 1970 moest deze wijken voor de nieuwbouw van de wijk "Groenhouten.
Foto: archief Historische Kring Leusden

Het Klooster. Deze naam vindt men pas in 1799 in de Prothocollen. Voordien werd de boerderij aangeduid met de naam van de eigenaar. Uit betrouwbare bron is bekend dat de varkensschuur een voormalige tabaksschuur is.

De Hemel. L: 12 gebinten? E.V.: 24 april 1739. Tabaksschuur, kisten en luiken uitgezonderd van verkoop. B.G.: Deze schuur, die omstreeks 1935 werd gesloopt, was een schuur met lage zijwanden en waarschijnlijk dwarse luiken.

Klein-Wildenburg. 12 Oktober 1781. Tabaksland, bij Thijs Gerrits in gebruik, de bruiker van Groot-Wildenburg. Daar zal de tabaksschuur hebben gestaan en het tabaksland zijn geweest.

Claverenbladt. L: 10 gebinten? EX.: 27 februari 1759. B.G: De kolossale schuur was in 1919 nog intact. Het `bouwhuis' van Claverenbladt dateert van 1603, ruimschoots voor het begin van de tabaksteelt. De tabaksboer van 'Claverenbladt' heeft, als de prijzen gunstig waren, tijdelijk geschikt tabaksland van zijn buurman op Groenhouten bijgepacht.

Groenhouten. L: 21 gebinten. E.V.: 1746. B.G.: De boerderij kreeg rond 1766 zijn naam en had in 1772 zeven morgen Tabaksplantagie en een gelatte tabaksschuur. In 1792 luidt de omschrijving: `De buijtenplaats, bestaande in een Heeren Huijsinghe, Hoff en Hoffstede met de annexe kamer off daghuurderswooninge, tabaksschuren, spijlen en planken, mitsgaders ladders daarin zijnde en behorende tabakskisten, luijken en hangers, tabaks- en andere landen, laanen off steegen, gragten en slooten, genaamt Groenhouten'.

Murckhoven. L: 21 gebinten. B.G.: Murchhoven - het latere Munnikhoven - heeft tot in de 18e eeuw een geheel met Groenhouten gevormd. Een omschrijving uit 1747 noemt 'omstreeks zeventien morgen tabaksboulant'.

De Biesart. L: 12 gebinten. B.C.: De Biesart, ook wel Busert geheten, werd door de bekende tabakskoopman Benjamin Cohen te Amersfoort in 1778 gekocht. Er was toen nog geen sprake van een tabaksschuur. Het erf werd door hem opgesplitst. De kern ervan werd gevormd door '1000 roeden zwaar oud tabaksland'.

Het Spul. L: 13 gebinten. B.G.: Het Spul is een afsplitsing uit ca. 1800 van De Biesart. In 1808 is sprake van een schuur van 52 linden (= 27 gebinten). De laatste tabaksschuur van Leusden, met een lengte van 20 meter, stond op Het Spul en moest rond 1978 voor nieuwbouw wijken (zie foto's).

Langebeek. Volgens de overlevering zou een tabaksschuur op de plaats van de latere varkensschuur hebben gestaan.

Rozendaal. Volgens de overlevering zou een tabaksschuur op de plaats van de latere varkensschuur hebben gestaan.

Zwartesteeg. Idem. (De kadasterkaart van 1832 laat een forse schuur zien).

Matelagen. B.G.: Heyman Warneke, getrouwd met Adriana Matelagen, is in 1788 eigenaar van tabaksland.

Princenhoff. L: 20 gebinten en 40 voet. B.G.: De 'Princenhofstede' was gebouwd op het terrein van de Heiligenberg. De Amsterdamse tabakskoopman Jan Agges Scholte, ambachtsheer van Aschat, verkoopt het erf in 1740 na opsplitsing van de Heiligenberg aan Coenraad Temminck.

Heiligenberg. L: 220 voet (= 18 gebint?). B.G.: Jonker Carel Alexander van Berck liet bij zijn faillissement in 1678 benodigdheden voor de tabaksbouw achter. De grote schuur dateert van na zijn tijd.

Elders in Hamersveld. 1761. 1 1/4 morgen tabaksland met tabaksschuur langs de Swarteweg. 1762. Een tabaksschuur aan de Brink, op het Spiegel. 1765. De Davelaak, met 32 morgen elk-, els- en esbos, alsmede tabaksland. 1778. Drie morgen tabaksland tussen Hamersveldseweg en Ursulinensteeg. 1806. Vijftien morgen(?) tussen Davelaak en de Brink.

In Stoutenburg.

Nieuwhorst. L: 10 gebinten. B.G.: Melding van een nieuwe tabaksschuur in 1705. In 1719 publieke verkoping van tien morgen 'toebackx en boulant'.

Elders in Stoutenburg.

1802. Tussen de Driftakker en de Heiligenbergerweg.

tabaksschuur

Rond de inmiddels vervallen tabaksschuur krijgt de wijk "Groenhouten " vorm.
Foto Janus Visser

Bronnen A. van Bemmel: Beschrijving der stad Amersfoort, 1760 Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, 1772 H. Halbertsma: Zeven Eeuwen Amersfoort, 1959 J.J. Herks: De geschiedenis van de Amersfoortse tabak, 1967 H.K. Roessingh: Inlandse tabak in de 17e en 18e eeuw, 1976 W.J, van Hoorn en A.J, v.d. Kooij:Een tabaksschuur bij "'t Spul",in: Tijdschrift "Flehite" 1977 J. Verduin:Bij de wieg van Hamersveld, in : Historische Kring Leusden, 6e jaargang, no. 4, 1990

De Rosbeijer 1745-2006

De Rosbeijer, vier huisjes onder één dak, bestaande uit een koffiehuis, woning, herberg en kruidenierswinkel, werd in 1872 door het r.-k. kerkbestuur gekocht als parochiehuis. rosbeijer In 1906 werd het vervangen door nieuwbouw compleet met podiumzaal, kruidenierswinkel en café. Honderd jaar later werd het pand, waarvan de naam in de loop der tijd wijzigde in ’t Ros Bijaart, gesloopt. Boerenfamilies kwamen op zondag met hun tentwagentjes naar de kerk, waarin de wekelijkse boodschappen werden gezet. Na de mis dronken de mannen een borrel in het café en de vrouwen koffie in de koffiekamer. Hamersvelders kwamen naar ’t Ros Bijaart voor veilingen, verkopingen, vergaderingen, tentoonstellingen, de koffietafel na begrafenissen, bruiloften en partijen. Er werden toneel- en cabaretavonden gegeven. In 1964 werd de bibliotheek er gevestigd die ook een uur open was na de Zondagse Hoogmis.

rosbeijer

Hamersveldseweg 57 in 2015
Foto: José Huurdeman

De nieuwbouw van De Rosbeijer stamt uit 2007. De architect heeft zich laten inspireren door de oude Rosbeijer (’t Rosbijaart) en het ernaast gelegen Ansfridushuis; de contouren van beide panden zijn erin te herkennen. Het blauwwitte tegeltjesmozaïek is gebaseerd op het Ansfridushuis.

rosbeijer

De Rosbeijer met er naast huize Ansfridus
Foto: archief Historische Kring Leusden

De Rosbeijer

Teus van Ruitenbeek, in 1872 uitbater van De Rosbeijer, werd opgevolgd door Jacob Voskuilen die echter in 1925, na anderhalf jaar in De Rosbeijer gewoond te hebben, overleed.

rosbeijer

Vlnr. Arisje Lagerweij, Teus van Ruitenbeek en Toontje van Asch voor de Rosbeijer (1890)
Foto: archief Historische Kring Leusden

De weduwe, Wousje van Esveld, heeft in haar eentje de zaak in De Rosbeijer vier jaar lang draaiende weten te houden alvorens ze hertrouwde met Teus Hilhorst. Dochter Coba, geboren na het overlijden van haar vader Jabob Voskuilen, zou meer dan twintig jaar in de winkel staan, tot haar halfbroer Piet in 1946 de zaak overnam. Piet Hilhorst en Mien Roest ‘trouwden in’ bij Teus en Wousje en dat had veel gevolgen voor de privacy. Want de ‘koffiekamer’ waar de dames op zondag na de kerk bij elkaar kwamen, was nu tevens de huiskamer van Piet en Mien. Elke Hamersveldse Leusdenaar kent ’t Ros Bijaart van feesten en partijen, van de kruidenierswinkel (er werd thuisbezorgd), van toneel en cabaretavonden, van lezingen, koffietafel na begrafenissen, carnaval, bruiloften, dansavonden, als café, talloze bijeenkomsten en vergaderingen.

rosbeijer

Rosbeijer
Foto: archief Historische Kring Leusden

Na het overlijden van Teus en Wousje werd in 1962 de voorkamer bij de kruidenierswinkel getrokken. Gerda, dochter van Piet en Mien, werkte mee in de winkel, (Spar) maar hielp ook bij bruiloften en partijen in de grote zaal. In 1975 werd ’t Ros Bijaart gesloten, Piet en Mien gingen met pensioen. Dat jaar opende de Spar met een nieuwe ondernemer in een noodwinkel aan de Torenakkerweg in afwachting van de definitieve locatie in De Biezenkamp (nu Jumbo). De openbare bibliotheek (nu Bibliotheek Eemland, locatie Leusden) opende haar deuren vanaf 1976 in boerderij Nieuw Langebeek. ’t Ros Bijaart heropende in 1977 als restaurant. In 1999 heeft de toenmalige exploitant het pand gekocht van het parochiebestuur. Bijna dertig jaar is het een restaurant geweest totdat het in 2006 werd afgebroken. Ook in de nieuwbouw De Rosbijer verschenen weer restaurants. Liefferink Rosbeijer en Tapas Parador. Beide ondernemers hebben hun bedrijf in Leusden beëindigd. Het Indonesisch restaurant Kraton Rosbeijer is er nu gevestigd.

Bronnen:
Goos van Leeuwen : Wandelen door de geschiedenis van Leusden. 2004
J. M. Schouten: Leusden in vertellingen
José Huurdeman: t‘Zustertje, van paardenstal tot restaurant. 2007
José Huurdeman: Hamersveldse vrouwen (2008)

Leusden-Zuid

In Leusden Zuid liggen er twee stenen langs de Arnhemseweg en één aan de Treekerweg 28.

Mareschausseekarzerne 1919-1999

De Marechausseekazerne, gebouwd in 1919 onder verantwoordelijkheid van de eerstaanwezend ingenieur der genie van het Eerste Commandement te Amersfoort, was er één van een standaardtype zoals er meerdere in Nederland gebouwd zijn. mareschaussee De Rijkskazerne, zoals de officiële benaming was, werd gebruikt door een Brigade der Koninklijke Marechaussee. De zijvleugels werden bewoond door de commandant en zijn plaatsvervanger met hun gezin. In het middendeel waren op de begane grond twee arrestantencellen. De eerste etage bood woonruimte aan ongehuwde marechaussees. Aan de achterzijde van het kazernegebouw waren de paardenstallen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verviel het predicaat Koninklijk en in 1943 werd de Marechaussee omgedoopt tot Gendarmerie. Na de Tweede Wereldoorlog nam de Rijkspolitie zitting in het pand. In 1999 werd het gesloopt en verrees er een appartementencomplex.

mareschaussee

2015 - Foto: José Huurdeman

Vanaf de attentiesteen ziet de bezoeker een pand waarvan de contouren gelijkenis vertonen met het gebouw op de foto. De architect heeft zich laten inspireren door de statige kazerne.

Brigade Leusden in het interbellum

Krijn van Otterloo

Op de hoek van de Arnhemseweg en de Maanweg herinnert weinig of niets meer aan het gebouw dat daar tussen de beide wereldoorlogen een Brigade der Koninklijke Marechaussee huisvestte. Nadat de kazerne achtereenvolgens door de Koninklijke Marechaussee, de Marechaussee, de Gendarmerie en de Rijkspolitie gebruikt is, werd het gebouw in 1999 gesloopt. Er verrees op dezelfde plaats een mooi appartementencomplex waarvan de voorgevel - je moet dan wel veel fantasie hebben - de contouren van zijn illustere voorganger weergeeft. Hierna wordt nader ingegaan op de 'Brigade Leusden' in de periode tussen beide wereldoorlogen. Naast bronnenonderzoek werden in 2005 gesprekken gevoerd met de thans 87 jarige Jan Hendrik (Jan) van Beerschoten wiens vader van 1925 tot 1934 de scepter zwaaide op de brigade. Daardoor heeft Jan - geboren in 1918 - een groot deel van zijn jeugd in de buurtschap Bavoort doorgebracht. Hij weet zich nog veel te herinneren van dat oude gebouw, de omgeving en de mensen die er woonden en werkten.

mareschaussee

Van links naar rechts korporaal Eisses, korporaal Puim wachtmeester Van Harten,opperwachtmeester Van Beerschoten, wachtmeester Koetsier, korporaal Van Leur
Foto: archief Fam. Van Beerschoten

De openbare orde en veiligheid in het interbellum

Toen in 1994 een grootscheepse reorganisatie van het politieapparaat was voltooid en de Politiewet van kracht werd beschikte men in Nederland over een politieorganisatie. Tot dat tijdstip was de politiezorg een lappendeken van ministeries, instanties, functionarissen, bevoegdheden, enzovoorts. Zeker gold dat voor de periode tussen de beide wereldoorlogen in, het interbellum. De zorg voor orde en veiligheid zag er toen als volgt uit.

  1. De politiezorg op het Nederlandse grondgebied, uitgezonderd binnen de gemeenten, was een rijkspolitiezorg en werd uitgevoerd door:
    • Korps Rijksveldwacht ressorterend onder het Ministerie van Justitie
    • Het wapen der Koninklijke Marechaussee ressorterende onder het Departement van Oorlog. Overigens werd de organisatie voor het grootste deel bekostigd door het Ministerie van Justitie omdat er vrijwel uitsluitend civiele taken werden uitgevoerd.
  2. De politiezorg in de gemeenten - volgens de Gemeentewet van 1851 - was een gemeentelijke aangelegenheid en werd uitgevoerd door:
    • Gemeentepolitie ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse zaken maar het bevoegde gezag was de burgemeester. Zij hadden een bijzondere opsporings- bevoegdheid die beperkt werd tot bijzondere wetten en plaatselijke verordeningen. Door aanstelling als onbezoldigd gemeenteveldwachter kon algemene opsporingsbevoegdheid binnen de gemeente van aanstelling verkregen worden
    • Gemeente- veldwachters, met een algemene opsporingsbevoegdheid voor alle strafbare feiten binnen de gemeente. Zij waren echter onderworpen aan het bevoegde gezag van de commissaris der koningin. Veelal opereerde zij in de wat kleinere gemeenten die geen eigen gemeentelijk politiekorps hadden.
  3. De politiezorg binnen de krijgsmacht was zuiver een militaire aangelegenheid en werd uitgevoerd door:
    • Korps Politietroepen, opgenomen in de leger organisatie. De hoofdtaak vormde de politietaken binnen de Krijgsmacht. Maar ook werden zij wel ingezet ter beteugeling van woelingen

Brigade Leusden

Leusden was in het interbellum bepaald geen wereldstad. Er was zegge en schrijve een gemeenteveldwachter werkzaam die bovendien ook nog gemeentebode was en dus gemeentetaken te vervullen had. Dat was kennelijk voldoende. Maar voor de regio werd er vlak na de eerste wereldoorlog in Leusden een brigade van de Koninklijke Marechaussee opgericht. Deze 'Brigade Leusden' heeft zijn ontstaan onder andere te danken aan het feit dat er na beëindiging van de Eerste Wereldoorlog de justitiële autoriteiten en de burgemeesters veel klachten kwamen over onvoldoende politiezorg. Maar ook van de zijde van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel kwam het verzoek tot uitbreiding van de politiezorg. Hun zorg was de handhaving van voorschriften op het gebied van de distributie van levensmiddelen. Denk hierbij vooral aan de smokkelhandel. Een en ander kwam pas in een echte stroomversnelling na de revolutionaire dreigementen in de Tweede Kamer - eind 1918 - van de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra (oprichter van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij). Op 4 november 1919 werd dan ook als onderdeel van de 3e Divisie der Koninklijke Marechaussee - waarvan de divisiestaf overigens in Arnhem zetelde - het district Amsterdam opgericht Dit district bestond uit brigades in Watergraafsmeer, Sloterdijk, Wormerveer, Wassenaar, Loosduinen, Beverwijk, NieuwerAmstel, Bussum en Leusden. Een driekwart jaar eerder was de toekomstige brigade reeds - bij Koninklijk Besluit van 21 mei 1919 met nummer 5 - op 24 februari 1919 opgericht als detachement van zogenaamde 'voeters'. Dit was een detachement of brigade die zijn werk 'onbereden' deed. Een ietwat misleidende naam want er waren natuurlijk wel fietsen in gebruik. In 1923 werd het echter een 'bereden' brigade. Het paard deed zijn intrede. Iedere brigade in Nederland had ongeveer dezelfde samenstelling. Zo kende de Brigade Leusden de volgende opbouw. De brigadecommandant in de rang van opperwachtmeester. Eén of twee onderofficieren in de rang van wachtmeester en verder waren er nog 3 á 4 marechaussees in de rang van korporaal. Al dit personeel was 'gelegerd' op de brigade. Men werkte en woonde dus op een en dezelfde locatie. Mede door de beperkte ruimte in het gebouw mochten echter alleen de brigadecommandant en zijn plaatsvervanger gehuwd zijn. In het interbellum commandeerden de volgende personen - allen in de rang van opperwachtmeester -de brigade. Vanaf 1923 was dat 'dikke' Marcusse. Hij kocht na zijn pensionering - als een van de eersten - een stuk grond aan de Schutterhoeflaan en bouwde daar een huis. Toen trad vanaf 1926 Van Beerschoten aan. Hij commandeerde de brigade gedurende een lange periode (van 1925 tot 1934). Van Oosten deed dat vervolgens weer heel kort (1934 en 1935) en tenslotte mocht Schoemaker vanaf 1936 tot aan 1940 als brigadecommandant het interbellum afsluiten. Na de tweede wereldoorlog werd de brigade niet meer uitgezet als onderdeel van de Koninklijke Marechaussee.

De Rijkskazerne

De kazerne is gebouwd in 1919 onder verantwoording van de zogenoemde Eerstaanwezend ingenieur der genie van het 1e Commandement te Amersfoort. Het was er een van een standaard - type zoals er meerdere in Nederland gebouwd zijn. De officiële benaming voor het gebouw was: 'Rijkskazerne'. Het had dan ook alle kenmerken van een kazerne. Er woonde en werkte militair personeel en men was redelijk selfsupporting. Het gebouw in de buurtschap Bavoort stond aan de Arnhemseweg die ooit op die plek twee haakse bochten maakte. Vanwege de toenemende snelheid van de vervoersmiddelen werd de weg rechtgetrokken en stond het gebouw niet meer parallel aan de weg. Ter plaatse zijn een stukje klinkerweg en de aanzet van een bruggetje over de toenmalige Luntersche beek nog de stille getuigen van het oude tracé. Over de Arnhemseweg laten we Van Beerschoten aan het woord. De Arnhemseweg was een klinker weg en had geen straatverlichting. Mijn vader vond dat het geen pas gaf om een rijkskazerne in het donker te hullen en zorgde er persoonlijk voor dat rond 1925-1930 de eerste twee straatlantaarns werden aangesloten.

Autobussen

Overigens was het alleen druk op de Arnhemseweg als er in Amsterdam gevoetbald werd tegen Duitsland. Dan reden de Duitsers in allerlei automobielen en autobussen richting Amsterdam. Naast de kazerne liep in noordelijke richting een zogenaamd “aspad”naar boerderij “de Grift”van de familie Meiling. Dat was de Maansteeg, de huidige Maanweg. De kazerne bestond uit een hoofdgebouw en een stalgedeelte. Deze delen waren aan elkaar verbonden door een gang waarin onder andere een privaat voor het personeel was. De linker en rechter vleugel van het hoofdgebouw waren bestemd voor de gezinnen van de brigadecommandant en zijn plaatsvervanger. Zij waren exact in spiegelbeeld gebouwd. Voor die tijd zullen de woningen zeker luxe en groot zijn geweest. Deze twee woonvleugels hadden elk een eigen voordeur aan de straatzijde. Daarachter lag een gang waaraan links twee kamers en suite en rechts een grote woonkeuken, een bijkeuken, een berging en een privaat lagen. Van Beerschoten: De kamer en suite werd nooit gebruikt. Het was de enige kamer met een schouw maar we woonden in de keuken die met een gewone kachel verwarmd werd. Op de eerste etage hadden de beide woningen drie slaapkamers. Via een losse trap was de zolder bereikbaar. Het centrale deel van het gebouw betrad men via een deur die toegang gaf tot een lange gang die - via een trapje - doorliep tot in de stallen. Rechts van de gang in het hoofdgebouw lag een bureel dat ook bereikbaar was vanuit de keuken van de brigadecommandant (werken en wonen wilde nogal eens in elkaar 'overlopen'). Voorts bevonden er zich in het middendeel van het hoofdgebouw de twee cellen - ieder voorzien van een brits - en een woon / slaapkamer voor een ongehuwde marechaussee. De bezettingsgraad van de cellen was nooit onrustbarend hoog. Af en toe mocht een dronkenlap er zijn roes uitslapen. Tenslotte was hier ook de keuken voor het ongehuwde personeel. Voor het overige personeel waren in het middendeel op de eerste etage woon / slaapkamers. Zoals reeds eerder opgemerkt stond haaks op het hoofdgebouw het stalgedeelte met daarin 8 boxen voor de paarden, een tuigkamer en een fietsenberging voor 10 dienstrijwielen. Boven de stallen was de hooizolder en uiteraard completeerde de mestvaalt op het terrein het geheel.

Wonen en werken op de brigade

Gezien de taakstelling van de Marechaussee - ordehandhaving - zal er een zekere afstand tot de bevolking bestaan hebben. Ook het wonen en werken onder één dak zal hebben bijgedragen aan het ontstaan van een soort subcultuur op de brigade. De invloed hierop door de hoogst aanwezige in rang - de opperwachtmeester in zijn rol als van brigadecommandant – zal ongetwijfeld groot zijn geweest. Hij bewoonde met zijn gezin de oost vleugel. Zijn plaatsvervanger - meestal een wachtmeester der eerste klasse – bewoonde de west vleugel. Een wat jongere – ongehuwde- wachtmeester bewoonde een kamer in het middengedeelte op de begane grond van het gebouw. De drie of vier (vrijgezelle) korporaals “woonden” in kamertjes op de eerste etage. We laten Jan van Beerschoten weer aan het woord. Alleen boven de rang van wachtmeester mocht er getrouwd worden. Gebeurde er een “ongelukje”dan was het einde oefening en kon je vertrekken! Hoewel er in het gebouw een keuken was voor het ongehuwde personeel waren de meeste toch elders in de kost voor wat betreft het eten en de bewassing.

mareschaussee

Stalgebouw achter de oude kazerne.
Foto: archief Krijn van Otterloo

De brigadecommandant was niet alleen de spin in het web met betrekking tot politiezaken maar hij bestierde ook de logistiek en de inwendige dienst van de brigade. Patrouilles te paard, te voet of op de fiets. Bekeuringen en Processen verbaal. Het doen van onderzoeken, het houden van schietoefeningen en theorielessen verzorgen zoals het werken met de “dactyloscopische kist”. Handhaving van de arbeidswet, de drankwet en de ijkwet. Maar ook zorgde hij voor voldoende hooi en stro en had contacten met de dierenarts in Amersfoort. Hij zag toe op het onderhoud aan de karabijnen, pistolen en klewangs van het personeel en stelde natuurlijk de wekelijkse dienstroosters op. Over de diensten weet Van Beerschoten zich ook heel wat te herinneren. Als er patrouilles gereden werden binnen de bewakingskring Musschendorp, Asschat, Stoutenburg, Leusbroek, Hamersveld en Leusden werd er afgetekend in het zogenaamde dienstblad bij wethouders, burgemeesters, hoofden der school enzovoorts. Er werd ook assistentie verleend aan de politie van Amersfoort. En als er Lunapark of circus in Hoogland was (in Amersfoort mocht dat kennelijk niet) werd er ook wel eens geassisteerd. Af en toe ging 's nachts de telefoon: dan had er een aanrijding plaats gevonden.

Spioneren

Spannender was het als pa in opdracht van de Centrale Inlichtingendienst in burger op het terrein van de Internationale School voor wijsbegeerte aan de Dodeweg moest “spioneren” als daar congressen waren. En ook moest hij wel bijeenkomsten bijwonen van de SDAP - bijvoorbeeld in het Bos Birkhoven. Dat deed hij gewoon geüniformeerd. Verder had je nog de VVSU – Vereniging Vrienden Sovjet Unie- die in de gaten gehouden moest worden. Hij hield ook Van Zijst van het - fascistische - Zwart Front in de gaten. En dan was er nog de assistentie aan de VVH– Vertrouwens Veehandel. Hoe jong ik ook was, mijn vader vertelde veel over zijn werk. Ondanks de subcultuur op de brigade en een zekere afstand naar de lokale bevolking, heerste er toch een prettige sfeer in Bavoort. Het wonen op die plek was prettig voor een jeugdige Jan van Beerschoten. Hij kent dan ook nog steeds de meeste gezinnen uit de buurtschap bij naam: Ipenburg de wagenmaker, Veenendaal de smid, boer Donselaar, Geertsema, Van Loenen en Meiling, architect Pothoven, Van Reenen met z’n bakkerij en kroeg, Renes van de buurtwinkel, Timmerman, Struve, Van Wieringen en Gude , een kapitein van het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), die later bij de NSB zou gaan. Hij vervolgt: Kinderen speelden met elkaar. Er werd gezwommen in de Luntersche beek. Ook hielp ik de boeren op het land. Ik zat op de “hark”of de “hooischudder” en reed zelfs voeren hooi. Mijn lagere school stond aan het Schoolpad. Het had twee lokalen en toen het zevende leerjaar er bij kwam werd er een lokaal bijgebouwd. Als ik van school naar huis terugfietste kwam er altijd een tamme kraai op m'n stuur zitten. Leuke tijd was dat. Lang heb ik echter niet op die school gezeten, want na twee jaar ging ik naar een lagere school in Amersfoort- vond pa beter voor mij - overigens niet meer op klompen – want dat vond pa ook beter voor mij. Als ik nog wel eens een reünie van de veteranen van het 10e Regiment Infanterie bezoek, rijd ik vanuit m'n woonplaats altijd via de Arnhemseweg langs de brigade, maar ja, daar is alles verdwenen. Jammer! En zo is het ook. Want mensen overlijden, landschappen veranderen, gebouwen raken in verval en culturen verdwijnen. Maar wat blijft is de historie. En die is bij deze verteld!

mareschaussee

Mareschausse karzerne
Foto: archief Krijn van Otterloo

Bronnen:
Archief van het Museum der Koninklijke Marechaussee te Buren
Mr. W. van den Hoek: De geschiedenis van het wapen der Koninklijke Marechaussee
Jhr. D.J.H.N. den Beer Poortugaal: De Marechaussee grijpt in
Jos Breukers: De politiegeschiedenis op hoofdlijnen
Artikel van Krijn van Otterloo uit Leusden Toen februari 2006, 22e jaargang nr 1

Molen van Bavoort 1536-1917

De Molen van Bavoort was een standerd-windkorenmolen. Het was een houten spilmolen van middeleeuws type met een stenen ombouw van latere datum. De molen stond op een kleine terp, de molenbelt. molen Bavoort De ouderdom van de molen is onbekend. In het belastingregister uit 1536 is sprake van een molenaar aan Bavoort. Een balk droeg het ingesneden jaartal 1702. In het begin van de twintigste eeuw verloor de molen zijn functie vanwege de oprichting van coöperatieve maalinrichtingen in de omgeving. Bij de afbraak in december 1917 werd het oude eikenhout verkocht en dit bracht maar liefst 1300 gulden op. In strijd met het geldend beleid bij sloop van oude monumenten heeft de burgemeester van Leusden de sloopvergunning niet gemeld bij de commissaris van de koningin. Misschien was de afbraak dan voorkomen. De gang van zaken werd betreurd door inwoners die de molen een warm hart toedroegen.

molen Bavoort

Groene poortdeuren bij Bavoort
Foto: José Huurdeman

Staande voor de attentiesteen, zou de molen 30 meter voor de bezoeker gestaan hebben. Langs de uitspanning de Bavoort kijkend wordt het uitzicht belemmerd door groene poortdeuren die toegang tot particulier terrein geven. Daarachter bevond zich ooit de Bavoortse Molen. Deze was tot in de verre omtrek zichtbaar omdat hij op een heuvel was gebouwd. De straatnaam ‘Molenhoekje’ herinnert nog aan de molen.

De Bavoortse molen

Overgenomen uit het tijdschrift Buiten 20-4-1918

Wie van Amersfoort in zuidelijke richting liep, fietste , of wel als een O. W'er in een auto gedoken den straatweg van Woudenberg naar Arnhem nam, zag vlak voor de brug over de Luntersche beek bij het gehucht Bavoort, in ± 1050 Bachevoort genoemd, aan zijn rechterhand de zoo schilderachtige op een heuveltje gelegen houten standaardmolen, de in de geheele omgeving zoo welbekende "Molen van Bavoort". Ook van den grintweg van Amersfoort naar Doorn, zag men ten zuiden van Leusden dit geestige molentje over de hei boven den oostelijken horizon uitsteken.

molen Bavoort

Zelfs voor de oprichting van de vereniging "De Hollandsche molen" bestond er al iets van molenbescherming

Met opzet wordt hier gesproken in den verleden tijd, want dit aardige molentje is niet meer, het werd van 3 tot 17 december 1917 afgebroken. De afbraak in kavelingen verkocht, vond wegens het thans zoo zeer gezochte oude eikenhout gereede afnemers; het bracht ± f 1.300,- op. Een balk uit het inwendige van den molen in 3 Meter lengte en 30 c.M. in het vierkant, droeg nog het ingesneden jaartal 1702; de molen was echter veel ouder, hoewel natuurlijk af en toe deelen moesten vernieuwd worden. Ook op een kaart van Bernard du Roy uit circa 1766 staat dit vermeld, wat evenmin een ouderdomsgrens wil zeggen. Het bedrijf was niet meer loonend, coöperatieve maalinrichtingen in de omgeving deden hem den doodsteek en zoo moest wel de mulder zijn eeuwenouden vriend ter slachtbank voeren.

Vergunning voor afbraak

Hij vroeg den Burgemeester schriftelijk vergunning voor afbraak die hem schriftelijk verleend werd zonder dat de Burgemeester de Regeering daarmede in kennis stelde. Dien molenaar treft dus geen blaam. Het treurige van de zaak is echter, dat indien de Burgerneester van Leusden, waaronder Bavoort ressorteert, zijn plicht had gedaan, de molen waarschijnlijk was behouden gebleven. Heemschut en andere lichamen waren in 't geweer gekomen en er zouden waarschijnlijk wel middelen gevonden zijn om deze daar te behouden en zoo dat nog niet ging, was er dan het openlucht Museum te Arnhem ook nog niet waarheen deze had verplaatst kunnen worden? De plicht die bij een dreigende slooping van een oud gebouw op een Burgemeester rust, is om de Regeering hiervan in kennis te stellen. De aanschrijving van den Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht aan de Gemeente Besturen in de provincie Utrecht, waarnaar de Burgemeester zich heeft te gedragen luidt als volgt:

Onderwerp Oude Monumenten,

Ik heb de eer U in herinnering te brengen den inhoud van mijn besluit van 15 augustus 1904 Nr. 1A.Z. (Provinciaal-blad Nr. 103 van dat jaar) betreffende de kennisgeving van voorgenomen slooping, verbouwing of herstelling van oude monumenten. Voor zooveel noodig vestig ik er uwe aandacht op, dat deze kennisgevingen rechtstreeks behooren gezonden te worden aan Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken en dat de verplichting tot kennisgeving zich uitstrekt tot alle oude gebouwen, zonder dat aan de gemeentebesturen is overgelaten het bericht geven afhankelijk te stellen van hun eigen oordeel over de historische of artistieke beteekenis dier gebouwen. Het inzenden van negatieve berichten is onnoodig, terwijl aan mij in geen geval eenig bericht in deze behoeft te worden gezonden.

De Commissaris der Koningin in de Provincie Utrecht,
*get. ) VAN LIJNDEN VAN SANDENBUR G.
Aan de gemeente besturen in de provincie Utrecht.

Bronnen
Artikel in tijdschrift Buiten 20-4-1918 gepubliceerd in Verenigingsblad van de Historische Kring Leusden in september 1990, 6e jaargang nr 3 en nogmaals in Leusden Toen, mei 2005, 21e jaargang nr 2 (zie hiervoor)
Wim Bos: Rond de molen van Bavoort. 1998
Goos van Leeuwen : Wandelen door de geschiedenis van Leusden. 2004

Pastorie Dorpskerk 1828-1953

De kerkenraad van de Hervormde Gemeente van Leusden pastorie-dorpskerk verzocht in 1825 koning Willem I om een nieuwe kerk met pastorie op een andere locatie te mogen bouwen. De kerk in Oud Leusden was te bouwvallig en te afgelegen. De toestemming werd verleend en de voorkeur ging uit om te bouwen in de buurt van Bavoort. Iets zuidelijker werd grond verkregen van boerderij De Bieshaar en in 1826 werd de kerk in Oud Leusden gesloopt. De bruikbare materialen zijn gebruikt voor de bouw van de Dorpskerk en pastorie die in het najaar van 1828 gereed kwamen. In 1953 moest de statige pastorie het veld ruimen voor een nieuw woonhuis en een wijkcentrum. .

pastorie-dorpskerk

Arnhemseweg 77 in 2015
Foto: Henk Slotboom

Staand bij de attentiesteen kijkt u naar het voormalig woonhuis van de dominee. Deze woning uit de jaren vijftig is in 2015 verkocht en sindsdien dus geen pastorie meer. De oude pastorie stond veel dichter tegen de weg aan die oorspronkelijk de Leusbroekerweg heette. In het gazon, ongeveer 6 meter vanaf de plek waar u staat (op de foto bij de zwerfkei), is nog een lichte verhoging te zien van de fundering van de voorgevel. 't Trefpunt werd begin jaren zeventig gebouwd.

De bouw van de dorpskerk en pastorie

Bij de bouw van de kerk en pastorie werd gebruik gemaakt van materialen van de afgebroken kerk te Oud Leusden. De toren van de kerk in Oud Leusden is bij de sloop van de kerk behouden gebleven. Deze kerk was eeuwenlang de enige kerk voor de hele omtrek, inclusief de stad Amersfoort totdat daar in 1248 de parochiekerk St Joris werd gebouwd. Tijdens een beeldenstorm in 1580 raakte de kerk in Oud Leusden zwaar beschadigd. Het was de tijd van de Reformatie en in 1585 bepaalden de Staten van Utrecht dat de kerk bestemd werd voor de uitoefening van de gereformeerde religie. De kerk werd daarna diverse keren gerestaureerd, maar daarmee kon blijkbaar toch niet voorkomen worden dat begin negentiende eeuw wind en regen tijdens kerkdiensten vrij spel hadden.

pastorie-dorpskerk

De oude kerk in Oud Leusdennaar een tekening van Hs Spilman Fliert
foto archief Historische Kring Leusden

Rond het jaar 1000 was er een welvarende nederzetting rondom de kerk, maar rond 1800 was dat niet meer het geval; er stonden nog maar zeven huizen in de buurt van de kerk. Voor de kerkgangers die elders in Leusden woonden was het wel een uur reizen. Daarom werd bij de koning het verzoek ingediend een nieuwe kerk met pastorie te mogen bouwen dichter bij de bewoonde wereld van Leusden. De kerkenraad gebruikte als argumenten: betere bediening van het toegenomen aantal hervormden, de zeer bouwvallige staat van de oude kerk en ook werd aangevoerd dat een nieuwe kerk belangrijk was om de dreiging van verroomsing tegen gaan. Amersfoort had geen bezwaar als er een zelfstandige kerkelijke gemeente in Leusden kwam. De toestemming kwam er en de grond ook. Leien, lood, ijzer en hout werd voor zover nog bruikbaar, van de oude kerk overgebracht naar de nieuwe locatie. De oude kerk was onder meer gebouwd uit gewone metselstenen en tuf- of duifsteen, een zachte natuursteen die in de 12 en 13e eeuw veel werd gebruikt. De duifsteen werd met paard en wagen afgevoerd naar de glasblazerij, De Glashut bij de Eem, en werd daar vermalen tot tras (cement). Deze cement werd dan weer gebruikt voor de nieuwbouw van kerk en pastorie, waar het alleen voor de binnenmuren werd gebruikt. Er bleef nog veel tras over, dat apart verkocht is. De bouw van de pastorie werd gegund aan C. Versteegh uit Leersum voor de prijs van fl 3215,- Hij was timmerman. Metselaar was E. Gaasenbeek uit Woudenberg. Voor de pastorie werden de volgende kleuren verf gebruikt: okergeel, groenolijf, blauw, wit, grijze glasverf en geel. De eerste steenlegging voor de kerk en pastorie vond plaats in 1827 .

pastorie-dorpskerk

Pastorie van de Dorpskerk
met ds. G. van de Giesen en zijn familie
foto archief Historische Kring Leusden

pastorie-dorpskerk

Pastorie van de Dorpskerk (achtergevel)
Ds. van de Giesen heeft er gewoond van 1892 tot 1897
foto archief Historische Kring Leusden

Bronnen:
Leusden Toen, Verenigingsblad van de Historische Kring Leusden, 11e jrg. 1996 nrs. 1 en 3 (Wim Bos)
Wim Bos: Het verleden van de kerkgebouwen der Hervormde Gemeente te Leusden (1978)